Landlopers in Suriname

Landlopers in Suriname Van koloniale uitsluiting naar een menswaardige benadering De geschiedenis van dak- en thuisloze mensen in Suriname is niet alleen een geschiedenis van mensen die zonder vaste woonplaats door de straten trekken. Het is ook een geschiedenis van slavernij, armoede, uitsluiting, gedwongen arbeid, psychische ontregeling en een overheid die kwetsbare burgers lange tijd vooral als een bedreiging voor de openbare orde beschouwde. Ā  Woorden als zwerver, landloper en vagebond zijn meer dan gewone beschrijvingen. Het zijn beledigende of juridische etiketten die door machthebbers en burgers werden geplakt op mensen zonder bezit, vast werk of een erkende woonplaats. Achter ieder etiket gaat echter een menselijk verhaal schuil: verlies van familie, ziekte, werkloosheid, armoede, psychische problemen of het ontbreken van passende opvang. https://youtu.be/nWaLVVGOgaE Netwerken Voor de komst van de Europeanen bestond in Suriname geen koloniale of juridische categorie die men landloper noemde. Inheemse gemeenschappen trokken tijdelijk naar andere gebieden voor de jacht, visvangst, landbouw, handel of familiebezoek. Deze verplaatsingen vonden niet doelloos plaats, maar maakten deel uit van een sociaal, economisch en cultureel netwerk. Ā  Het was onjuist om rondtrekkende Inheemsen landlopers te noemen. Het begrip ontstond pas toen de koloniale overheid ging bepalen wie op een bepaalde plaats mocht wonen, wie zich vrij mochten verplaatsen en wie verplicht was te werken. Ā  Landlopers en ā€œkale hanenā€ in de plantagekolonie In de zeventiende en achttiende eeuw was Suriname een meedogenloze plantagekolonie. De maatschappelijke positie van een persoon werd bepaald door afkomst, huidskleur, bezit en juridische status. Tot slaaf gemaakte mensen werden als eigendom beschouwd en mochten zich niet vrij bewegen in de kolonie. Ā  Ook arme Europese soldaten, tuchthuisboeven, zeelieden, avonturiers, ontslagen werknemers en mislukte kolonisten konden buiten de geordende samenleving terechtkomen. In achttiende-eeuw werden deze mensen aangeduid als landlopers of kale hanen. Dit waren spottende benamingen voor personen zonder geld, aanzien of vaste maatschappelijke positie. Ā  Ā  Deze mensen probeerden te overleven met losse arbeid, klein handel, visvangst, aalmoezen of tijdelijk verblijf bij anderen. Een georganiseerd stelsel van sociale opvang bestond nauwelijks. Wie geen familie, werkgever, kerkelijke gemeenschap of meester had die verantwoordelijkheid voor hem nam, belandde gemakkelijk aan de rand van de samenleving. Ā  Gevluchte slaafgemaakten waren geen zwervers Er is onderscheid tussen landlopers en slaafgemaakten die van de plantages vluchtten. Het koloniale bestuur sprak van weglopers, of voortvluchtigen. In de volksmond werd het woord loweman gebruikt. Ā  Deze mensen zwierven echter niet doelloos rond. Zij vluchtten voor geweld, onderdrukking en slavernij. In het binnenland bouwden zij eigen woongebieden en gemeenschappen op. Uit deze vrijheidsstrijd ontstonden de Marrongemeenschappen. Ā  Marrongroepen sloten in de achttiende eeuw vredesverdragen met het koloniale bestuur. Daarbij werden hun vrijheid, woongebieden en eigen gezagsstructuren gedeeltelijk erkend. Ā  Het is daarom historisch onjuist om Marrons als landlopers te beschrijven. Zij waren vrijheidsstrijders die zich aan de plantageorde onttrokken en buiten dat systeem een zelfstandig bestaan opbouwden. Ā  Emancipatie zonder volledige vrijheid Op 1 juli 1863 werd de slavernij formeel afgeschaft. De vrijgemaakte bevolking was echter nog niet werkelijk vrij. Gedurende tien jaar kwam zij onder het Staatstoezicht te staan. In deze periode moesten de voormalige slaafgemaakten arbeidscontracten afsluiten, voornamelijk voor werk op de plantages. Ā  Niet iedereen wilde na de afschaffing van de slavernij opnieuw onder een plantagehouder werken. Sommige vrijverklaarden vestigden zich langs de rivieren. Daar leefden zij van visvangst, jacht en klein landbouw, op de zogenoemde kostgronden. Ā  Het koloniale bestuur beschouwde deze zelfstandige bestaanswijze niet altijd als een legitieme keuze. Mensen die zich aan de gewenste arbeidsdiscipline onttrokken, konden worden beschuldigd van vagebondage of landloperij. Ā  Het woord landloper werd hierdoor een middel om voormalige slaafgemaakten te verdenken en te criminaliseren wanneer zij niet wilden leven en werken volgens de regels van het koloniale bestuur. Zij werden als lui en toekomstloos gezien, terwijl zij in werkelijkheid probeerden buiten het plantagesysteem in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Ā  Deze periode vormde een belangrijk keerpunt. Landloperij betekende voortaan niet alleen dat iemand zonder vaste woonplaats rondzwierf. Het kon ook betekenen dat iemand weigerde zich te onderwerpen aan de door het bestuur gewenste vorm van arbeid. Ā  Vrijheid met weinig bescherming In 1873 eindigde het Staatstoezicht. Voormalige slaafgemaakten verlieten de plantages en vestigden zich als landbouwers. Anderen trokken naar Paramaribo, waar zij probeerden te overleven met marktverkoop, huishoudelijk werk, ambachten, losse arbeid en tijdelijke baantjes. Ā  Een moderne verzorgingsstaat bestond nog niet. Arme burgers waren grotendeels afhankelijk van familieleden, kerkelijke gemeenschappen en liefdadigheid. Ā  Tijdens de slavernij waren plantage-eigenaren formeel verantwoordelijk voor het minimale onderhoud van oude, zieke of arbeidsongeschikte slaafgemaakte. Dit systeem was mensonterend. Na de afschaffing van de slavernij werd het echter niet vervangen door sociale voorzieningen. Ā  Na 1900 nam de armoede verder toe door problemen in de landbouw en de economische malaise. Mensen zonder werk, inkomen of familieondersteuning liepen daardoor een groter risico om afhankelijk te worden van liefdadigheid of op straat terecht te komen. Ā  Landloperij strafbaar In het Surinaamse Wetboek van Strafrecht werd landloperij behandeld als een overtreding van de openbare orde. Artikel 503 omschreef een landloper als iemand die ā€œzonder middelen van bestaan rondzwerftā€. Op deze toestand kon een hechtenis volgen. Ā  Wanneer drie of meer personen gezamenlijk bedelden of als landlopers werden beschouwd, kon de straf oplopen tot zes maanden. Iemand die volgens de autoriteiten geschikt was om te werken, kon bovendien voor maximaal drie jaar in een staatswerkinrichting worden geplaatst. Ā  Deze wetgeving maakte niet alleen het gedrag van arme mensen strafbaar. Zij maakte ook een maatschappelijke toestand strafbaar: geen geld hebben, geen vaste woonplaats bezitten en geen erkend middel van bestaan hebben werd niet getolereerd. Ā  De landloper werd daardoor gearresteerd en gestraft, terwijl de werkelijke oorzaken van zijn situatie niet werden onderzocht. Armoede, ziekte, ouderdom, werkloosheid, verslaving en psychische ontregeling waren geen excuus. Ā  Een afwijzend etiket in de twintigste eeuw In de twintigste eeuw groeide Paramaribo. Vanuit de voormalige plantagegebieden en de districten trokken mensen naar de hoofdstad op zoek naar werk en voorzieningen. Niet iedereen vond in het stadsdistrict een stabiel bestaan. Ā  Mensen zonder eigen woning verbleven soms op erven

Landlopers in Suriname Read More Ā»