De geschiedenis van arbeid in Suriname

Ideologische bevlogenheid De geschiedenis van arbeid in Suriname De geschiedenis van arbeid en vakbeweging in Suriname begint niet in Suriname alleen, maar in een veel oudere wereld van arbeid, gezag en afhankelijkheid. Lang voor Columbus de Atlantische verbinding tussen Europa en de Amerika’s openbrak, was arbeid in Europa en elders zelden een vrije overeenkomst tussen gelijke partijen.   In middeleeuws Europa waren boeren afhankelijk van land en heer. In de steden reguleerden gilden de toegang tot ambachten, de lonen, de technieken en de arbeidsvoorwaarden. Daarnaast bestonden vormen van herendienst, dus onbetaalde of verplichte arbeid ten dienste van heer of staat. Arbeid was daarom vooral ingebed in orde, stand en gehoorzaamheid, en veel minder in individuele keuzevrijheid.   Arbeid op zee en de Atlantische overtocht Toen de Atlantische wereld ontstond, verhuisde deze hiërarchische arbeidsorde mee naar zee. Aan boord van de schepen die naar de Nieuwe Wereld voeren, heerste een scherp afgebakende bevelsstructuur met bovenaan de kapitein of schipper, daarnaast waren er functies als, stuurman, bootsman, timmerman en kok.   Deze maritieme arbeidswereld werd grimmiger in de trans-Atlantische slavenvaart. De oversteek duurde vaak rond de tachtig dagen. Mensen werden dicht opeengepakt zonder voldoende bewegingsruimte, ventilatie of water. Velen werden ziek en stierven. Het schip was dus niet alleen een transportmiddel, maar ook een drijvende ruimte van tucht, geweld en ontmenselijking. Afbeelding: Diagram van het slavenschip Brookes. Bron: Wikimedia Commons / British Library. Inheemse arbeid in Suriname Tegenover deze oude en harde arbeidswerelden stond in Suriname zelf een andere bestaansorde van de inheemse bevolking. Bij de inheemsen was arbeid oorspronkelijk niet opgebouwd rond loon, contract of plantagedwang, maar rond dorp, familie, rivier, jacht, visserij en kostgrond.  Mannen jaagden, visten en kapten bos open voor kostgronden. Vrouwen plantten, sponnen garen, hangmatten en doekjes, weefden en maakten aardewerk. Arbeid was hier dus ingebed in gemeenschap en levensonderhoud en niet in een door de wereldmarkt gedreven regime van winstproductie. Slavernij en staatstoezicht Met de komst van de Europese kolonisator veranderde dat fundamenteel. De plantagekolonie maakte arbeid tot een instrument van export en gezag. De koloniale economie van Suriname rustte eeuwenlang op de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. Toen Nederland de slavernij in 1863 formeel afschafte, werden de voormalige slaafgemaakten echter niet meteen volledig vrij. Zij moesten nog tien jaar onder staatstoezicht op de plantages blijven werken. Daarmee werd de slavernij juridisch beëindigd, maar niet onmiddellijk sociaal en economisch opgeheven. De spanning tussen formele vrijheid en feitelijke dwang bleef dus bestaan, en precies daaruit zou later een belangrijk deel van de Surinaamse arbeidersgeschiedenis voortkomen. Afbeelding: Plantage in Suriname. Bron: Wikimedia Commons / Rijksmuseum. Contractarbeid en nieuwe arbeidsregimes   Na de emancipatie ging het koloniale bestuur op zoek naar vervangende arbeidskrachten voor de plantage-economie. Er werden Chinese contractarbeiders voor arbeid in Suriname geworven. Daarna volgde op grote schaal immigratie uit Brits-Indië. Ook Javaanse contractarbeid werd een structurele pijler van het koloniale arbeidsbestel. Juridisch heette dit contractarbeid, maar sociaal bleef het een stelsel van zware afhankelijkheid, lage lonen, discipline en beperkte bewegingsvrijheid.   De gruwel van het slaventransport Zelfs de reis naar Suriname droeg de stempel van die afhankelijkheid. Die overtocht was niet gelijk aan de gruwel van het slaventransport, maar zij was wel de voorruimte van een nieuw koloniaal arbeidsregime. De arbeider kwam niet als vrije actor een open arbeidsmarkt binnen, maar werd bij aankomst meteen over de plantages verdeeld. Daarmee ging Suriname niet rechtstreeks van slavernij naar vrije arbeid, maar via nieuwe vormen van gereguleerde en gecontroleerde arbeid. Afbeelding: Baba en Mai-monument in Groningen, Suriname. Bron: Wikimedia Commons Contractarbeid en nieuwe arbeidsregimes   Na de emancipatie ging het koloniale bestuur op zoek naar vervangende arbeidskrachten voor de plantage-economie. Er werden Chinese contractarbeiders voor arbeid in Suriname geworven. Daarna volgde op grote schaal immigratie uit Brits-Indië. Ook Javaanse contractarbeid werd een structurele pijler van het koloniale arbeidsbestel. Juridisch heette dit contractarbeid, maar sociaal bleef het een stelsel van zware afhankelijkheid, lage lonen, discipline en beperkte bewegingsvrijheid.   De gruwel van het slaventransport Zelfs de reis naar Suriname droeg de stempel van die afhankelijkheid. Die overtocht was niet gelijk aan de gruwel van het slaventransport, maar zij was wel de voorruimte van een nieuw koloniaal arbeidsregime. De arbeider kwam niet als vrije actor een open arbeidsmarkt binnen, maar werd bij aankomst meteen over de plantages verdeeld. Daarmee ging Suriname niet rechtstreeks van slavernij naar vrije arbeid, maar via nieuwe vormen van gereguleerde en gecontroleerde arbeid. Afbeelding: Anton de Kom. Bron: Wikimedia Commons. Doedel en De Kom   In dezelfde jaren werden Louis Doedel en Anton de Kom symbolen van sociale weerbaarheid en van koloniale repressie. Doedel behoorde tot de eersten die in de jaren dertig de werkende bevolking probeerden te organiseren; in 1937 werd hij na een mislukte poging een petitie aan de gouverneur aan te bieden gearresteerd en in de psychiatrische inrichting Wolffenbüttel opgenomen. Anton de Kom, die in 1933 naar Suriname terugkeerde, wist met zijn charisma grote groepen arbeiders te mobiliseren; na de onrust van 1933 werd hij door het koloniale bestuur het land uitgewezen. De Surinaamse arbeidersbeweging groeide dus niet in de beschutting van het bestuur, maar in botsing ermee.   Bauxietindustrie en moderne arbeider Een nieuwe fase in de arbeidsgeschiedenis brak aan met de opkomst van de bauxietindustrie.   Met de exploitatie werd in 1916 een begin gemaakt; zes jaar later vond de eerste verscheping vanuit Moengo plaats en in 1937 nam bauxiet al 64 procent van de Surinaamse uitvoerwaarde voor zijn rekening.   Tijdens de Tweede Wereldoorlog groeide de sector explosief verder. Arbeidsonrust in Moengo in 1941 en 1942 leidde tot de vorming van de eerste mijnwerkersbonden, en in 1948 was de Surinaamse Mijnwerkers Unie, die de bonden van Moengo, Paranam en Billiton verenigde, met 2.200 leden veruit de grootste arbeidsorganisatie van het land. Hier werd de Surinaamse arbeider steeds meer een moderne industriële arbeider: geconcentreerd, collectief en strategisch georganiseerd. Afbeelding: Bauxietwinning in Moengo, ca. 1927-1931. Bron: Wikimedia Commons / Rijksmuseum. Institutionalisering van de arbeidsverhoudingen   Vanaf de jaren veertig begon ook de institutionele verankering van de arbeidsverhoudingen. In 1946 werd

De geschiedenis van arbeid in Suriname Read More »