“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben”
Apostel Carlo Lansdorf:“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben” Tori-Collectief essayreeks Deel 3: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Over geloofstrouw en de plaats van Winti in het publieke debat. Dit derde essay snijdt een pijnlijk en actueel thema aan: hoe gaan we om met religieuze diversiteit, specifiek wanneer het aankomt op de plaats van Winti in nationale rituelen? Het vertrekpunt is een ontmoeting op het presidentieel paleis, waar de spanning tussen Bijbelse exclusiviteit en multiculturele tolerantie zichtbaar werd. Het stuk roept op tot zuivere theologie zonder verborgen koloniale reflexen, waarheid in liefde, zonder aanzien des persoons. Op de middag van 3 februari verscheen Apostel Lansdorf, met zijn gebruikelijke spoed en ernst, op het hoofdkwartier van het Tori Collectief. Zijn bezoek was, zoals men zou zeggen, van doktersaard kort, dringend, maar niet zonder betekenis. Ik liet de gelegenheid niet onbenut om hem met een mengeling van humor en ernst te wijzen op zijn afwezigheid bij onze bijeenkomsten. Wij missen zijn scherpte, zijn wijsheid, zijn geestelijke evenwicht bij het breinen en discussiëren over zaken van gewicht. Hij is immers een man van geleerdheid, ervaring en doorleefde overtuiging, een klankbord van waarde, zo niet onschatbaar. Met zijn kenmerkende hoffelijkheid verontschuldigde hij zich, maar wees er fijntjes op dat hij slechts een paar minuten had. Hij was onderweg naar het jaardagfeest van Zijne Excellentie, de president. Zonder aarzeling nodigde hij mij uit hem te vergezellen, en ik stemde toe. Onderweg, in de schaduw van de wandelgangen, konden we van gedachten wisselen zoals oude denkers dat doen: vrij, diepgaand en zonder omhaal. Het feest, gehouden in de tuin van het presidentieel paleis, was geen vertoon van pracht en praal. Integendeel, het was eenvoudig, ingetogen maar geladen met symboliek. Geen rijen diplomaten, geen elite in maatpakken. De gasten waren arbeiders, landbouwers, mensen van het veld, de zogeheten ‘kleine man’. Het was een bewuste keuze van de president, een gebaar dat, hoe eenvoudig ook, diepe weerklank vond. Tijdens de bijeenkomst nam een manspersoon het woord. Hij stelde zich voor als adviseur van de president en sprak over religie in een multiculturele samenleving. In zijn betoog prees hij enkele geloofsrichtingen expliciet: het hindoeïsme, de islam, het christendom, stuk voor stuk genoemd als bouwstenen van nationale harmonie. Maar zijn toon werd scherp toen hij sprak over Winti. Hij verklaarde ronduit niets te moeten hebben van Winti Bribi een geloof dat volgens hem ‘meekwam uit de slavernij’ en daar had moeten blijven. Die woorden sneden. Alsof de geschiedenis van een volk als ballast werd afgeschreven. Alsof de geestelijke nalatenschap van voorouders kon worden weggezet als folkloristisch bijgeloof. Ik keerde mij tot Apostel Lansdorf, een vooraanstaand leider binnen de Volle Evangeliebeweging. “Hoe vind je dat?” vroeg ik. “Dat Winti Bribi niet welkom is op het paleis?” Hij keek me aan, de ogen een tikje vermoeid, maar de stem helder en beslist: “De God van de Christenen is een jaloerse God.” Hij verwees, zoals het een bijbelman betaamt, naar de Tien Geboden, het fundament van de goddelijke orde zoals gegeven op de Sinaï: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. “Gij zult u geen gesneden beeld maken … noch u daarvoor neerbuigen.” De God van Israël duldt geen rivalen. Hij eist trouw, exclusiviteit, geen gedeeld altaar, geen gedeeld hart. Dit is geen moderne soepelheid, maar oeroud geloof. En in dat licht is de afwijzing van Winti een religie met meerdere entiteiten, rituelen en voorouderspiritualiteit volgens Lansdorf geen kwestie van discriminatie, maar van gehoorzaamheid aan een heilig gebod. Toch dringt zich een prangende vraag op. Een die velen fluisteren maar weinigen luidop durven stellen: Hoe rijmt Lansdorf zijn strikte gehoorzaamheid aan dit eerste gebod met zijn samenwerking met president Santokhi – een publieke belijder van het hindoeïsme? Want is het hindoeïsme ook niet een religie met vele goden, rituelen en beelden? Waarom lijkt Winti onbespreekbaar, maar wordt het hindoeïsme beleefd verwelkomd aan staatsrituelen en nationale gebedsdagen? De Bijbel zelf aarzelt niet om dit spanningsveld te benoemen: “Trek niet in een ongelijk span met ongelovigen. Want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid? Of wat heeft het licht te maken met de duisternis? … Welke overeenstemming is er tussen de tempel van God en afgoden?” Maar dezelfde Schrift kent ook andere tonen. De Heer sprak met Samaritanen. Hij geneest heidense kinderen. De apostel Paulus, scherp als een zwaard in doctrine, sprak tot filosofen en afgodenvereerders, zonder zijn geloof te verloochenen. Daniël diende een heidense koning, zonder zijn God te verraden. Wat leert ons dit? Dat de weg tussen waarheid en vrede geen eenvoudige is. Er is een tijd om te waarschuwen, en een tijd om te luisteren. Een tijd om af te zonderen, en een tijd om te verbinden. Niet alles wat verdraagzaam is, is waar. Maar ook niet alles wat waar is, moet met het zwaard verdedigd worden. Wat betreft Winti: het wordt vaak met argwaan bekeken, deels om theologische redenen, maar ook, zo moeten we eerlijk erkennen om historische en raciale. Winti is het geloof van tot slaaf gemaakte. De schaduwen van het kolonialisme hangen er nog altijd boven. Hindoeïsme daarentegen, hoe vreemder voor het christelijk dogma ook, is gekoppeld aan een bevolkingsgroep met bredere maatschappelijke acceptatie en meer politieke vertegenwoordiging. Is de afwijzing van Winti dan zuiver theologisch? Of een echo van koloniale rangordes? De brief van Jakobus spreekt scherp: “Gij zult het geloof in onze Heere Jezus Christus niet combineren met aanzien des persoons.” Wie onderscheid maakt tussen geloofsgemeenschappen op grond van afkomst, pleegt heiligschennis. Dan is het niet God die regeert, maar het vooroordeel van mensen. Apostel Lansdorf bidt met de president. Hij wandelt door de gangen van de macht, maar draagt zo mogen we hopen in zijn binnenste de stem van het Woord. Moge hij, en zij die met hem staan, de moed hebben deze vragen niet te mijden, maar aan te gaan met liefde én waarheid. Want zout dat niet meer schuurt, verliest zijn kracht. En licht dat zijn helderheid verliest, kan zelfs een paleis niet verlichten.
“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben” Read More »

